Leven in de brouwerij

Nee, ik heb niet over de bloembakkenrel in mijn dorp waar zelfs de landelijke media op af komen! De brouwerij, dat is mijn vijver, en het leven zijn de dikkopjes. In april kolkte het vijverwater van de kikkersex, en dat was zo’n succes dat het te hopen is dat er nog wat dikkopjes worden opgegeten, anders hebben we hier straks een kikkerplaag.

Maar voorlopig is het wel erg leuk om al die zwemmertjes te bekijken. Dit is maar een heel klein stukje van de vijver, en je ziet er als je goed kijkt al een stuk of dertig.

Posted in Foto's | Tagged , | Leave a comment

Voortaan is Dodenherdenking anders

De vierde mei is voor onze familie een bijzondere dag, onze vader is dan jarig. Vandaag werd hij 85. Hij was net twaalf toen de oorlog begon, bijna zeventien toen die was afgelopen. Vormende jaren, die hem in een bedreigende, chaotische wereld stortten waardoor hij in onze jeugdjaren moeite had met ‘gezellige bijeenkomsten’ als sinterklaas of kerstmis. De twee minuten stilte worden altijd in acht genomen op zijn verjaardag.

Ik ben van een tijdje na de oorlog. Aan wie moet ik denken in die twee minuten? Dankzij de Volkskrant weet ik dat nu. Bij het artikel gisteren over de joodse Julie Sprecher-Kattenburg stond een website genoemd waar je kunt nagaan of vanuit jouw (vroegere) huis ooit joodse mensen zijn gedeporteerd. Ik herinnerde mij de mezoeza’s, de tekstkokertjes in de deurposten van het pand waar wij woonden. Mijn vader huurde dat huis vanaf 1953, er zat toen een verzorgingshuis in dat naar een andere locatie verhuisde. Een paar deuren verder was Lederhandel De Hoogh, met een heuse opgezette koe in de etalage.

En inderdaad. Op joodsehuizen.nl stond het huis van mijn vroege jeugd, Prinsegracht 101 in Den Haag, vermeld. De gegevens zijn summier. Hier woonde Emanuël Staal, musicus, met zijn vrouw Clara Hamburger die in 1939 overleed. Zij hadden een zoon, Simon. Emanuël is in Auschwitz gestorven op 6 september 1944, 74 jaar oud. Zijn zoon Simon was toen al dood, hij stierf 23 oktober 1942 in Mauthausen op 32-jarige leeftijd.

Voortaan is Dodenherdenking anders. Ik denk aan Emanuël en Simon Staal, ook al weet ik bijna niets van hen.

Posted in Volkskrant | Tagged | Leave a comment

En nu dan de saus erbij

Ik kom nog even terug op Tonkatsu, een gerecht uit de Japanse keuken waarvan de naam in het koelverse-maaltijdenschap van AH wordt misbruikt.

Bij mijn versie van echte Tonkatsu (gepaneerde, gefrituurde varkensschnitzel) geef ik een heel eenvoudig sausje. Maar ik ben verder gegaan, en heb een wat bewerkelijker versie gevonden en uitgeprobeerd. Véél ingrediënten (25), lange kooktijd (bijna 3 uur), en nu moet ik nog een maand wachten voordat de fles open mag. Maar het rook in ieder geval ontzettend lekker in de keuken. Ik houd jullie op de hoogte!

Posted in Nieuwe recepten | Tagged , | Leave a comment

Volgers: Edelike Spijse heeft een nieuw adres!

verhuiskaartjeVanaf vandaag heeft Wel ende Edelike Spijse een nieuw adres. In plaats van edelikespijse.wordpress.com is het nu edelikespijse.com.

Berichten verschijnen voortaan op dit nieuwe adres, bezoekers van inhoud op het oude adres worden doorverwezen. Kijk maar in de adresbalk van de browser.

Alles is overgezet, maar ik heb geen idee hoe dat met de ‘followers’ van Edelike Spijse gaat. Waarschijnlijk zul je je opnieuw moeten aanmelden op het vernieuwde adres om dit blog te blijven volgen (knop rechtsonder in het scherm). Excuses voor het ongemak.

 

Posted in Blabla | Leave a comment

De Hond in de Pot – Winnaar april 2013

Tonkatsu wokgroenten? Ik dacht het niet!

Eindelijk weer eens een winnaar voor mijn hoogstpersoonlijke competitie ‘De Hond in de Pot’. Net terug uit Japan, zie ik bij de koelverse maaltijden van AH-excellent het volgende wangedrocht staan: Tonkatsu wokgroenten. Toevallig deze week ook nog in de aanbieding. Zucht…

Tonkatsu is een met broodkruim gepaneerd en gefrituurd varkenslapje. Je hebt ook chicken katsu (met kip), menchu katsu (met gehakt), gyu katsu (met rundvlees) en hamu katsu (met ham). Op dezelfde manier bereide vis, schelp- of schaaldieren of soms ook groenten heten niet katsu maar furai (je herkent hier het Engelse ‘fry’ in). Wat NOOIT het hoofdingrediënt is van welke katsu dan ook, is groente, en een katsugerecht wordt NOOIT gewokt. Tenzij je in een wok frituurt natuurlijk, maar AH wil dat je de groenten roerbakt.

En dan nu dat sausje. Inderdaad bestaat er tonkatsu-saus, hoewel ik in Japan ook wel frisse remouladesaus of grove mosterd bij katsu-gerechten kreeg. Tonkatsu-saus volgens AH: water, sojasaus (water, sojabonen, tarwe, zout), suiker, tomatenpuree, zoete rijstwijn (suiker, glucosestroop, azijn), azijn, melasse, rijstzetmeel, kruiden, specerijen, gejodeerd zout, natuurlijke aroma’s. Samen ongeveer anderhalve eetlepel.

Bovenaan in de lijst staat water, daarvan zit dus het meeste in de saus. De ‘zoete rijstwijn’  is interessant, uit de ingrediënten die er tussen haakjes achter staan kun je afleiden dat hier helemaal geen rijst in zit, alleen suiker, nog meer suiker (de glucosestroop) en azijn. Suiker staat ook nog apart in de ingrediëntenlijst, en melasse is, jawel, suikerstroop. Dan wordt de lijst opeens erg vaag, ‘kruiden, specerijen [...] natuurlijke aroma’s’. Voor de eerlijkheid: de mirin (die zoete rijstwijn) in een flesje bestaat ook voor een groot deel uit suiker, maar als het goed is, zit er tenminste nog een béétje gefermenteerde rijst in.

Dit koelschap-artikel lift mee op de populariteit van de Japanse keuken, maar de bedenkers ervan hebben maar een vaag idee wat tonkatsu nu eigenlijk is. Of ze vinden dat totaal onbelangrijk en presenteren een fantasieversie van de Japanse keuken waarvan zij denken dat die goed in de Nederlandse markt ligt. Je verkoopt een bak voorgesneden groenten, en om een lekkere prijs te kunnen vragen zet je er een Japanse naam op en doe je er een kabouterzakje saus bij.

Dit is de definitie van tonkatsu volgens A Dictionary of Japanese Food van Richard Hosking:

Very popular dish of the furai category, consisting of a deep-fried slice of pork coated with egg and bread crumbs, served with a thickish usutā- (Worcester)style sauce and a mound of finely shredded raw cabbage. The pork is sliced for eating with chopsticks, but very often the rice is served on a plate rather than in a bowl, suggesting it is felt to be a Western dish.

Let goed op: de groente die als garnering bij tonkatsu wordt geserveerd, gesnipperde kool, is RAUW.

Hier staat mijn recept voor tonkatsu met een simpele saus. Probeer het, en vergelijk het met het AH-gerecht. Heeft niets met elkaar te maken.

Posted in De hond in de pot, Ingrediënten, Misleiding | Tagged , , | Leave a comment

Oranda-jin in Japan, Dag 15

Donderdag 28 maart, de terugreis

Meteen naar het recept

Vandaag de laatste dag van mijn vacantie, die geheel aan reizen opgaat. De wekker staat op zes uur, want de vlucht vertrekt om negen uur. Half zeven zijn mijn dochter en ik beneden, voor een vloeibaar ontbijt. Geen whiskey, maar koffie en sinasappelsap en appelsap. Het buffet lijkt rustig, maar in de zaal zitten al diverse mensen die ook een vlucht moeten halen. Eva gaat mee naar het vliegveld, en dan met de bus (goedkoper dan de trein) naar Nagasaki. Daar zal ze het tweede semester van haar studiejaar in Nagasaki gaan volgen. Overigens is 1 april voor het Japanse onderwijssysteem het begin van het schooljaar.

De taxi zet ons precies om zeven uur af bij het vliegveld. Mooi op tijd voor het inchecken. Het blijkt zelfs héél op tijd, want vlucht KE 746 van negen uur naar Seoul gaat helemaal niet. Er vertrekt wel een vlucht om half elf, en als het inchecken daarvoor om kwart over acht begint, blijkt gelukkig dat ik blijkbaar deze vlucht heb. En de paraplu meenemen is geen probleem! (Op de foto de plu in Kortenhoef, met blije kat. Het regende niet, maar toch…)

Na het inchecken zit ik met Eva nog in een restaurantje. Eva heeft het moeilijk, en dat begrijp ik wel. Bij mij komen de tranen pas bij de paspoortcontrole. Ik weet dat als het moment van afscheid achter de rug is, Eva zich beter zal voelen.

Nu zit ik in het vliegtuig voor de eerste, korte etappe. Een voordeel van die latere vlucht is dat ik om te beginnen extra tijd had met Eva, maar ook dat de wachttijd in Seoul korter is. Zo zie je maar weer, iedere wolk heeft een gouden randje.

Op de lange vlucht naar Schiphol, die geheel bij daglicht is omdat we met de zon mee vliegen, brengen we toch zeker acht uur in het duister door. Ik heb helemaal geen zin om te slapen, en gelukkig heeft het Koreaanse meisje naast me er geen bezwaar tegen als ik mijn lampje aan houd. Tijdens de vlucht bekijk ik drie speelfilms, waarvan ik er één anders nooit had bekeken, het laatste deel van Twilight, Breaking Dawn Part 2. Zó slecht dat het eigenlijk wel weer leuk werd. Echt leuk, en interessant, was een documentaire over de Koreaanse keuken. Het thema: wildpluk in de lente. De eerste schuchtere groene scheuten van planten in de bergen en aan de kust worden liefdevol geoogst en bereid als salade, ingemaakt, of verwerkt in stoofschotels. Stomstomstom, ik heb niets opgeschreven. Op Youtube staat een andere documentaire over hetzelfde onderwerp. Let vooral op de onder- en neventiteling in zestien (!) talen. Onder de video staat een recept voor een spring salad overzichtelijk in het Engels. In de documentaire in het vliegtuig valt het me op dat het snijden van de ingrediënten en het bereiden van de gerechten op de grond gebeurt. Er is wel een aanrecht, maar dat doet vooral dienst als voorraadplank.

Voor de hoofdmaaltijd kan ik kiezen tussen Westers en Koreaans. Koreaans dus. Het gerecht heeft een prachtige naam: Bibimbap.Ik krijg er een gebruiksaanwijzing bij, want anders had ik op z’n Japans alle ingrediënten apart gegeten. letterlijk betekent bibimbap ‘gemengde rijst’. En dat is de bedoeling: je mengt vlees, groenten en gochujang (Koreaanse pasta van rode pepers) met sesamolie en rijst, en je kunt het zowel warm als op kamertemperatuur eten. Je eet het met soep (ik kreeg zeewiersoep) en wat ingelegde groenten als bijgerechten.

Het was een hele bijzondere reis, des te meer omdat ik hem samen met mijn dochter heb gemaakt. Het was fijn om met haar door ‘haar Japan’ te trekken, en ik heb heel veel goede herinneringen. Eva heeft ook genoten. Nu voor haar nog de laatste maanden in Nagasaki, en dan komt ook zij weer naar huis. Daar kijk ik nu al naar uit!

Mashikeh-mogoseyo

Natuurlijk volgt nu het recept voor Bibimbap. Hoewel, ‘het’ recept… Er bestaan heel veel versies van, zoals dat bij nationale gerechten wel vaker is. Er zijn regionale en persoonlijke varianten, en het wordt ook bereid met restjes. Maar hoe gevarieerd de ingrediënten ook zijn, bij alle versies hoort de eter zelf aan tafel de diverse componenten door de rijst te mengen.

Je hebt nodig: gare rijst, een vis- of vleesgerecht, een groentegerecht, eventueel een rauw of gepocheerd ei, gochujang en sesamolie. Gochujang is pasta met rode peper, maar het is niet hetzelfde als sambal. Naast pepertjes bevat de pasta ook kleefrijst, gefermenteerde sojabonen en zout, en dat rijpt samen dan nog een tijdje.

In het boek van Hi Soo Shin Hepinstall, Growing up in a Korean Kitchen, staat dat Pibimbap (zoals het hier wordt gespeld) een typisch lunchgerecht is en heel eenvoudig tot zeer elegant kan zijn. Hij geeft zijn versie, die ik hieronder parafraseer. De deelgerechten moeten twee tot drie uur voor het eten worden bereid. Voor 4 tot 6 personen

Vlees met paddestoelen -  Neem 350 gram kogelbiefstuk in dunne plakjes en 50 gram gedroogde shii-take die na het weken ook in plakjes worden gesneden (verwijder eerst de steeltjes). Doe in aparte kommen, en verdeel hierover een marinade van 4 eetlepels sojasaus, 2 eetlepels Koreaanse rijstwijn (cheongju, te vervangen door droge vermouth), 2 eetlepels suiker, 2 eetlepels sesamolie (de Aziatische donkere, van geroosterd sesamzaad), 2 eetlepels geroosterd sesamzaad, 2 gehakte tenen knoflook en het witte en bleekgroene deel van 3 bosuitjes, plus snufjes zout en peper. Schep goed om.

Bak het rundvlees snel bruin in een wok of koekepan, in wat neutrale olie. Haal het vlees eruit en bak in dezelfde olie de shii-take totdat ze al het vocht hebben opgenomen. Laat rundvlees en shii-take in aparte kommen afgedekt afkoelen en bewaar in de koelkast.

Courgette en komkommer met rode peper – Snijd 350 gram courgette of een ander lid van de Cucurbita pepo familie (maar wel met groen vruchtvlees) in smalle repen (‘thin matchsticks’ zegt het kookboek), doe hetzelfde met 350 gram komkommer. Bestrooi iedere vruchtgroente apart met wat zout, laat tien minuten staan en knijp dan zo veel mogelijk vocht eruit.Maak een verse, hete rode peper (jalapeño bijvoorbeeld) schoon, haal de zaadjes eruit en snijd in reepjes.

Bak in een schone wok of koekepan eerst de courgette en dan de komkommer twee minuten. Bak vervolgens in dezelfde pan de rode peper totdat hij net zacht begint te worden, de kleur moet helderrood blijven. Zet courgette, komkommer en rode peper afgedekt in de koelkast.

Taugeh en spinazie – Maak een sausje van 1 eetlepel sojasaus, 3 eetlepels sesamolie, 3 eetlepels geroosterd sesamzaad, het in ringetjes gesneden groen van 3 bosuitjes, 3 gehakte knoflooktenen en peper en zout naar smaak.

Zet 350 gram taugeh op met een kwart liter koud water. Doe een deksel op de pan, en breng aan de kook, laat drie minuten doorkoken zonder de deksel te verwijderen. Laat daarna uitlekken, spoel niet na. Meng de helft van de saus door de taugeh.

Breng 1 liter water aan de kook met 1 eetlepel azijn en een snuf zout. Blancheer hierin de spinazie tien seconden. Dompel de blaadjes dan in ijswater en knijp ze vervolgens goed uit. Meng hier de rest van de saus door. Zet spinazie en taugeh afgedekt in de koelkast.

Afmaken – Haal alle gerechten uit de koelkast zodat ze op kamertemperatuur komen. Kook vervolgens de rijst. Zet alles op tafel, met de rodepeperpasta en extra sesamolie. Iedereen pakt van de gerechten en legt alles in zijn of haar kom. Goed mengen, en dan lekker eten.

Zo. Dit was het.

Posted in Ingrediënten, Oranda-jin in Japan | Tagged , , | 1 Comment

Oranda-jin in Japan, Dag 14

Woensdag 27 maart, Hiroshima

Meteen naar het recept

Japanners houden van warmte. De wc-brillen zijn warm, áls de verwarming ergens aanstaat, is dat op 28 graden Celsius, de treinen zijn ook (te) warm, en als ik met een blouse met korte mouwen en een dun jack rondloop, bekijken in winterjas en handschoenen gehulde Japanners mij huiverend. Het is dan buiten een graad of 12. Maar je krijgt in horecagelegenheden wel altijd een glas ijswater aangeboden, en het meeste eten is op kamertemperatuur.

We besluiten om ook vandaag niet het Vredespark te bezoeken, maar naar het Prefectural Museum van Hiroshima te gaan, dat pal naast een landschapstuin uit de achttiende eeuw lag, en op loopafstand van het hotel was. Het regent, dus we kunnen de leuke paraplu weer gebruiken!

In het museum is de ‘gewone’ tentoonstelling die vier keer per jaar wisselt, en op de bovenste etage is een uitgebreide thematentoonstelling. Er is een zaal met bijzondere lappen stof, uit India maar vooral uit Indonesië, waar ook wat ceramiek staat dat ooit besteld was door de VOC, maar via Frankrijk (Napoleon) weer in Japan terecht was gekomen. Daar zijn twee ontzettend leuke paarden bij, met zadel en al, en grote ogen die je heel assertief aankijken. Ze grijnzen ook hun tanden bloot.

Wat het thema is van de andere zalen, daar komen we niet helemaal achter, maar er zijn veel schilderijen en objecten van Westerse artiesten. Zo hangt ‘De droom van Venus’ daar, van Salvador Dali (met de smeltende horloges), werken van Man Ray, Margritte, en dergelijke. Ik heb mijn fototoestel niet meegenomen, anders had ik wel meer onthouden.

In de zalen met schilders uit Hiroshima maakt vooral één werk grote indruk. Het is een nieuwe schenking, van de kunstenaar zelf. Een ‘autobiografisch schilderij’, ongeveer 1 meter hoog en 6 meter lang. Van links naar rechts zie je de vier seizoenen, te beginnen met de lente, langs de Oita-rivier waar Hiroshima omheen ligt. Zicht op kersebloesem, en de schilder die er als jongetje speelt en wat verderop picknickt met zijn eerste vriendinnetje, De zomer vordert, en waar zo’n beetje 6 augustus zit, ontploft de bom. De schilder is dan achttien jaar. Een oranjerode chaos met ruïnes, rondvliegende brokstukken en zinkende schepen. Maar dan is het herfst op het schilderij, en tussen de -ook- oranjerode bomen verrijzen hijskranen en nieuwe gebouwen: de wederopbouw. Helaas heb ik geen idee hoe de schilder heet.

De thematentoonstelling gaat over de Japanse schrijver Natsume Sōseki, die in dezelfde tijd leeft als onze Louis Couperus, maar hij overlijdt op jongere leeftijd, al in 1916. Het bijzondere van deze auteur is dat hij schreef over beeldende kunst, zowel Japanse en Aziatische als Westerse kunst, als kunstcriticus, maar ook in zijn literaire romans is beeldende kunst een belangrijk thema. Hij was ook bevriend met een aantal beroemde Japanse kunstenaars uit zijn tijd, en die ontwerpen illustraties en kaften voor zijn boeken. In het laatste decennium van zijn leven gaat hij ook zelf schilderen, als amateur niet onverdienstelijk, maar zijn gave lag toch meer bij het woord (aldus het oordeel van het museum, Eva en ik willen wel dat wij zo kunnen schilderen!). In de Engelstalige Wikipedia is niets terug te vinden over de nauwe band die Sōseki met de schilderkunst had.

Natsume Sōseki schreef over Westerse schilders als Turner, Millais en Beardsley. We zien Lilith van Rossetti, en de Lady of Shalott looking at Sir Lancelot van Waterhouse, schilderijen die je meteen herkent, maar het is geweldig om die in het echt van nabij te kunnen zien. Overigens, veel afgebeelde katten hier. De debuutroman (1905) van Sōseki is Ik ben een kat, vandaar. Ik heb de Engelse vertaling besteld. Nog niet binnen, dus nog niet gelezen. In deze roman wordt de Japanse samenleving beschreven in de Meiji-periode (1868-1912), toen het rijk de poorten had geopend voor andere culturen. Vanuit het oogpunt van een huiskat die ‘zijn mensen’ observeert, beschrijft Sōseki wat effect hiervan is op de Japanse samenleving.

Natuurlijk koopt Eva de catalogus van deze tentoonstelling, en ik bezwijk voor een ketting die daar niets mee te maken heeft. Naast het museum ligt een landschapstuin, Shukkeien, die in de zeventiende eeuw is aangelegd. Vanuit het museum is de oude tuin heel goed te zien, dankzij de gevelhoge en -brede glazen wand. En omdat het nog steeds regent, nemen we genoegen met kijken (en fotograferen) op een afstandje. Jammer van het weer, want de tuin ziet er uit als een oase van rust.

We lunchen in het museumrestaurant. De inrichting is Westers, en ook het menu is niet zuiver Japans. Zo krijgen we niet de gebruikelijke misosoep, maar een tomatensoep. De hoofdschotel is een amalgaam van Oost en West: een ebi furai (gefrituurde garnaal), een knakworstje, een hamburgertje, spaghetti, grove mosterd, Japanse mayonaise en donkere saus. Dit alles ligt op een rond bord, teken dat het inderdaad wordt beschouwd als een Westers gerecht.

Omdat de koffers steeds voller en zwaarder worden met al die boeken, nemen we een taxi naar het station, en nu dan meteen naar de goede kant waar de shinkansen stopt. Echt, supersnel gaan die dingen! Van Hiroshima naar Hakata (Fukuoka) is het 280 kilometer en we zijn er in minder dan vijf kwartier. We gaan niet meer de stad in maar eten opnieuw bento op de kamer. Heel gezellig.

Mijn bentobox heeft negen vakken, het middelste is witte rijst met een schijfje met shisoblad gekleurde umeboshi: de Japanse vlag. Op de tv is een drie uur durend programma met Japanners die ‘iets bijzonders’ weten of doen. Een stel dat de meest zeldzame kanji kan lezen bijvoorbeeld. Japanse namen worden met kanji geschreven, en sommige families hebben een kanji die door niemand kan worden gelezen. Tamelijk onhandig. Ook zien we een masserende kat, een hond die bij het uitlaten er de voorkeur aan geeft niet te lopen maar op zijn rug te worden voortgesleept (echt, dat beest vond het leuk), en zo voort. Voor Eva een goede afleiding, want die vindt mijn naderende vertrek wel moeilijk. Ik ook, maar ik ga naar huis, terwijl zij hier achterblijft.

De hoofdacte van de avond is het opnieuw inpakken van de koffers. Ik weet niet of ik dat in het eerste verslag heb gezet, maar vlak voordat we de eerste dag uit Fukuoka vertrokken, we waren al op weg naar de uitcheckbalie, besloot ik om niet de kleine, maar de grote airporter mee te nemen op de rondreis, en daar ben ik achteraf heel blij om geweest! En nu opnieuw een ommezwaai, mijn kleine airporter is groter dan die van Eva, en zij moet haar extra aankopen weer naar Nagasaki meenemen. Dus nu heeft Eva mijn ‘kleine’ airporter, en ik Eva’s nog kleinere.

Itadakimasu

Tja, dat hamburgertje. Ik heb een recept gevonden voor een Japanse versie in het boekje A Gift of Japanese Cooking van Mifune Tsuji.

Je mengt 300 gram rundergehakt met 1 ei, 1/2 gesnipperde ui, 25 gram broodkruim in een beetje melk geweekt, 1 theelepel fijngehakte verse gember en zout naar smaak. Hiervan vorm je zes kleine burgertjes, die je door de bloem haalt. Verhit in een koekepan half boter half neutrale olie, en schroei de hamburgers eerst aan beide kanten bruin, bak ze daarna op lager vuur in totaal vijf minuten. Haal de burgers uit de pan, veeg die schoon met keukenpapier.

Doe in een maatbeker 3 eetlepels sake, 3 eetlepels suiker, 4 eetlepels Japanse sojasaus en 4 eetlepels water. In totaal heb je bijna 2 deciliter saus. Giet dit in de koekepan, breng aan de kook. Leg de hamburgers terug in de pan en sudder ze nog vier minuten op laag vuur, lepel de saus af en toe over de burgers.

Serveer op wat slablaadjes, giet de saus over de burgers.

Tot morgen!

Posted in Oranda-jin in Japan | Tagged , | 1 Comment

Oranda-jin in Japan, Dag 13

Dinsdag 26 maart, Hiroshima

Meteen naar het recept

Hiroshima is de laatste pleisterplaats van deze reis, Nagasaki was de eerste. Beide steden zijn in 1945 binnen enkele dagen na elkaar door een atoombom verwoest. Nu, bijna een mensenleven later, dienen de herbouwde steden als waarschuwing tegen het gebruik van atoomwapens.

Hiroshima is een heel andere stad dan Nagasaki. Veel groter en erg druk. Volgens Eva Tokyo is nóg drukker. Nagasaki heeft bij de wederopbouw het oude stratenpatroon gehandhaafd, Hiroshima is helemaal opnieuw begonnen en heeft een grid van straten die ook veel breder zijn. En er is veel hoogbouw.

Vanochtend zijn we na het ontbijtbuffet (heel anders dan een ryokan, veel onpersoonlijker) met de tram naar de A-bomb Dome gegaan, zoals het in het Engels heet. Je ziet overigens in Hiroshima veel meer Westerlingen dan in de andere plaatsen die we bezocht hebben. Merkwaardig bijverschijnsel: nu blijven Japanners soms stug Engels praten als Eva in het Japans antwoordt. Dat is elders niet zo.

De A-bomb Dome is wat er rest van de Prefectorale Industriële Promotiehal, die in 1915 door de Tsjechische architect Jan Letzel is gebouwd. De koepel was kopergroen, en een geliefd oriëntatiepunt de stad. De ruïne wordt overeind gehouden met een metalen frame, men wil dat dit een blijvend monument is tegen atoomwapens. De ruïne ligt aan het water, op het punt waar de rivier een afsplitsing heeft. Tussen die twee waterwegen in ligt, tegenover de ruïne, het Vredespark. In Nagasaki hebben we dat uitgebreid bezocht, hier kiezen we ervoor om op dat punt aan boord van de veerboot naar het eiland Miyajima te gaan. In 45 minuten vaart de boot erheen, op de rivier nog in een rustig tempo, buitengaats blijkt het een soort shinkansen op het water te zijn! We stuiven langs oesterbanken, en aan de kust zien we bergen oesterschelpen, want de schelpdieren zijn een locale specialiteit.

Volgens het Engelse foldertje (eindelijk iets in het Engels!) is de Itukushima schrijn op het eiland een van de drie top-bezienswaardigheden van Japan. En dat is ook wel te merken, wat een hoop touristen lopen hier rond! We merken nu pas dat onze reis over het eiland Kyushu toch wel ‘off the beaten track’ is geweest. Eén van de attracties van Miyajima zijn de herten die daar vrij rondlopen en heel tam zijn. “Do not feed the deer” staat er op bordjes. Nou, ‘the dears’ pakken het zelf wel! Met name papier, daar zijn ze dol op. Ik heb foto’s gemaakt van een hert dat smakelijk op een Japanse krant kauwt. En als Eva en ik wat later op een bankje ons touristische kaartje bestuderen, komt er een hertje aan dat zich gewillig laat aanhalen en dan opeens de kaart uit onze handen rukt! Wij rukken terug, tot vermaak van wat Japanners in de buurt, en na een korte strijd hebben we onze kaart weer, zij het wel met hertenspuug erop. Gelukkig is de kaart van stevig papier gemaakt.

Het sakura-seizoen is in volle gang. Overal zie je bloesemende bomen, sommige heel oud met ongelooflijk kronkelige stammen. Ik maak, net als de Japanse, Chinese en Koreaanse touristen, veel foto’s, en vandaag is dan eindelijk het geheugenkaartje (8 Gb) vol. Gelukkig had ik al in Nagasaki een extra kaartje gekocht.

De Itsukushima schrijn is gewijd aan de drie dochters van Amaterasu, de godin van de zon. Zoals dat vaker gaat met goden, ging de geboorte niet langs natuurlijke weg. Vanwege wandaden waar ik verder niet op inga werd haar broer Susanō, god van de zee en stormen, verbannen en hij kwam afscheid nemen van zijn zus. Amaterasu kende haar broer, en vertrouwde hem niet. “Laten we beiden de gelofte afleggen om kinderen voort te brengen”, stelt de zeegod voor. Sex komt er niet aan te pas: broer en zus wisselen objecten uit, Amaterasu bijt het zwaard van haar broer in drie stukken, Susanō breekt het halssnoer van zijn zus in vijven. Zo komen er drie dochters en vijf zoons, die samen de hachiōji worden genoemd, de acht vorstelijke kinderen. Veel Japanse adellijke families voeren in de stamboeken hun afkomst terug tot een van deze kinderen, ook de keizer is zo een nakomeling van Amaterasu. Hierboven zie je een illustratie van Anton Pieck over een andere mythe waarin Amaterasu een rol speelt (uit De tuin der goden uit 1947). Haar broer maakte amok, en de zonnegodin verstopte zich in een grot. Dus een zonsverduistering! Door een list werd ze uit de grot gelokt. (zie hier)

De eerste schrijn wordt op deze plek in de zesde eeuw neergezet. Het huidige complex is uit de zestiende eeuw, naar het model zoals dat in de twaalfde eeuw is ontworpen. Het beroemdste onderdeel van de tempel is de Torii die als het vloed is in het water staat. Het tempelcomplex staat dan ook in het water (op palen), maar vandaag is het om tien over negen in de ochtend en half tien ‘s avonds hoog water, wij zijn er uitgerekend met eb. Dat heeft ook zijn charme, je ziet het drooggevallen zand bevolkt door Japanners met emmertjes en schepjes op zoek naar schelpdieren die zich hebben ingegraven tot het water terugkeert.

In het tempelcomplex is blijkbaar een traditionele bruiloft gaande, die zeer publiek wordt gevierd: de toeristen lopen langs de open ruimte terwijl de bruid, gehuld in een witte pij met capuchon die ook het gezicht verbergt naar een stoel wordt geleid. De familie zit er heel ernstig omheen. Blijkbaar is het huwelijk geen pretje. Iedereen maakt foto’s, dus ik ook, hoewel ik dat eigenlijk genant vind. Maar ja, tourist he? Ik betrap om het hoekje een traditioneel geklede bruiloftsgast die even zijn mobieltje bekijkt. Mocht je denken dat hij er vreemd uitziet, zijn gezicht heb ik geblurd.

Natuurlijk lunch ik met oesters! In de tent waar we eten kun je rauwe oesters eten, oesters op noedels of in de soep, en gefrituurde oesters. Ik kies de laatste versie. Ze worden geserveerd met mayonaise. Aan de straat worden vanuit het restaurant gegrilde oesters verkocht, er staat een flinke rij lekkerbekken. We duiken weer winkeltjes in, het is zo leuk om cadeautjes voor anderen uit te zoeken. We vinden iets heel stoers voor Gideon. Ik had graag een yukata willen kopen, zo’n Japanse katoenen badjas, maar met mijn westerse postuur pas ik alleen in het XL-mannenmodel. En juist de yukata die ik mooi vind, met karpers erop, is er niet in mijn olifantenmaat. Morgen in Fukuoka nog een kans.

Behalve restaurants die gerechten met oesters aanprijzen zie je ook veel winkels die een een andere specialiteit van Miyajima verkopen, momiji manju. Dit is een zacht koekje in de vorm van een esdoornblad, gevuld met anko, zoete pasta van azukibonen. In deze bakkerij is de productie in de etalage te volgen: bij 1 worden de bakvormen ingevet; bij 2 gaat het beslag erin; bij 3 wordt de vulling erbij gedaan; bij 4 worden de koekjes afgebakken; bij 5 gaan de vormen weer open; bij 6 (maar dat zie je nu niet) worden de koekjes gedeponeerd om uit te dampen voordat ze verpakt worden.

Onze voeten doen zeer van het wandelen en slenteren, dus half vijf beginnen we aan de terugreis. Dit keer een korte oversteek naar Miyajimaguchi, waar we de trein nemen naar Hiroshima. We houden een luie avond. Hebben weer bento gekocht voor op de kamer, en nu liggen we op onze bedden naar een heel merkwaardige tekenfilm te kijken, waarin Tom & Jerry samen met de Power Rangers te zien zijn. En dan in het Japans.

Het is nu half acht, en Eva is volgens mij diep in slaap gevallen. Ik zal haar zo toch maar wakker maken, anders slaapt ze vannacht niet.

Itadakimasu

De momiji manju van de bakkerij op Miyajima lijken erg op de dorayaki die we in Tsuwano bij de thee kregen. Manju zijn volgens kookboeken gestoomd, en dorayaki gebakken. Maar in die bakkerij worden de manju in gietijzeren vormen gebakken. Beide zoetigheden hebben een vulling van rodebonenpuree. Als je denkt “Wat raar, bonenpuree in een koekje”: goedkope marsepein wordt gemaakt van wittebonenpuree met suiker.

Het recept hieronder is voor dorayaki. De foto is ontleend aan wikipedia (gebruiker Moja).

Anko
De vulling maak je eerst. Er zijn verschillende recepten online te vinden, bijvoorbeeld hier. De basis is gelijke hoeveelheden azukibonen en suiker. Azukibonen zijn klein en donkerrood met een witte navel (botanische naam Vigna angularis), je koopt ze bij de toko of biologische supermarkt. Een bekend gerecht met de boontjes is sekihan, feestrijst. De rijst krijgt een mooie kleur door de meekokende bonen, en wordt geserveerd met gomashio (geroosterd zwart sesamzaad met zout).

De azukipasta, anko, is er in twee varianten, grof met de boontjes wel stukgekookt maar nog zichtbaar (tsubushi-an), en fijn, de boontjes worden door een zeef gewreven waarin de velletjes achterblijven (koshi-an). Een snellere methode is om de pasta te bereiden met meel van azukibonen, sarashi-an. Je kunt kiezen of je voor de vulling grove of fijne rodebonenpasta gebruikt. Volgens Shizuo Tsuji (Japanese cooking, a simple art) moet in beide gevallen de consistentie zachter zijn dan miso.

Hier beschrijf ik hoe je de fijne puree maakt. 200 gram gedroogde azukibonen breng je aan de kook in ruim water, dan giet je ze af en je zet ze opnieuw op met ruim een liter water. Breng weer aan de kook, zet het vuur laag en kook met de deksel op de pan tot de boontjes heel zacht zijn.

Nu giet je de gare bonen af en je vangt het kookvocht op. Daarboven zet je een zeef en je duwt de bonen daar doorheen. Als ik het ga uitproberen, denk ik dat ik de passe-vite pak. De puree valt in het kookwater, de vliesjes blijven achter in de zeef. Verzamel de puree in een doek en knijp het vocht eruit. De puree in de doek gaat terug in de pan, met 150 gram suiker. Tsuji waarschuwt de houten lepel alleen maar heen-en-weer te bewegen, en niet rond te roeren omdat de pasta dan zijn glans zal verliezen. Als de pasta zo dik is als miso, gaat er nog een snuf zout bij.

Pannekoekjes
Voor de pannekoekjes meng je 3 geklopte eieren met 150 gram suiker en 1 eetlepel suikersiroop, klop goed door. Meng 1 theelepel bakpoeder door de bloem, en strooi die geleidelijk aan, terwijl je blijft kloppen, door het eiermengsel. Giet nu 1,6 deciliter water erbij, klop tot een glad beslag.

Voor het bakken zou voorgevormde pan handig zijn, met ronde verdiepingen. Dergelijke pannen zijn er speciaal voor blini’s, en mijn tosti-ijzer heeft verwisselbare platen. Vet de pan licht in met olie, en giet vanaf vlak erboven het beslag rustig in de pan. Bak vijf minuten op laag vuur, keer om als de bovenkant net gestold is. Bak nog twee minuten op laag vuur. Stapel de pannekoekjes niet op, maar laat ze na het bakken naast elkaar afkoelen. Bestrijk van de helft van de koekjes de minst bruine kant, en dek af met de andere koekjes (ook weer minst bruine kant naar binnen). Serveer meteen bij de thee, of verpak in bakpapier.

Tot morgen!

Posted in Ingrediënten, Oranda-jin in Japan | Tagged , | 1 Comment

Oranda-jin in Japan, Dag 12

Maandag 25 maart – Tsuwano

Ik heb nog niet eerder over Japanse spiegeleieren geschreven. We krijgen die regelmatig bij het ontbijt, op kamertemperatuur, met amper gestold eiwit en een vloeibare eidooier. Nu haken er vast lezers met een gevoel van walging af, maar toevallig vind ik zo’n spiegelei à point wel lekker. Alleen, je moet hem wel met stokjes eten! Dit doe je door de schaal of het bord naar je mond te brengen, en met je stokjes het spiegelei naar binnen te werken. Het wit gaat, maar als je niet uitkijkt, stroomt als je in de dooier bijt het vloeibare geel langs je kin. Deze ochtend een nieuwe uitdaging: twéé spiegeleieren!

Geinig gerechtje erbij: salade van macaroni met komkommer (links van de eieren onder het schelpvormige kommetje).

Tsuwano is een bergdorp in Zuidwest-Honshu waar veel samoerai woonden, je ziet er nog veel huizen in ‘samoeraistijl’, en in de oude samoeraischool is nu een volkenkundig museum gevestigd.

Een ander museum is gewijd aan Katsushika Hokusai (1760 tot 1849), dat bezoeken we eerst. Hij is één van de bekendste kunstenaars uit de Edo-periode, in het Westen vooral bekend door De grote golf van Kanagawa.

Het verband tussen Hokusai en Tsuwano is losjes: in dit dorp is de eerste druk ontdekt van de Hokusai Manga, zelf is hij er nooit geweest. Vanaf 1814 publiceerde de artiest tot aan zijn dood twaalf delen van deze manga, na zijn dood verschenen er nog drie. Oorspronkelijk was het bedoeld als leerboek voor artiesten, maar in een nieuwe uitgave liet Hokusai alle tekst weg. Tot zijn verbazing waren deze plaatjesboeken heel populair. De boekjes hebben geen verhaal zoals moderne mangastrips, het zijn losse afbeeldingen van mensen in allerlei omstandigheden, planten, dieren en landschappen, voorwerpen en bovennatuurlijke wezens, vaak meerdere op een pagina.

Mijn dochter is een bewonderaarster van zijn kunst, en na alle tentoongestelde prenten uitgebreid te hebben bekeken, bestuderen we de boeken in de museumwinkel. Eva schaft zo’n beetje de complete inventaris aan, ze kan er ook iets uit gebruiken voor haar scriptie. Ik koop een ander boek over Hokusai, ook in het Japans (echt, geen Engels boek te bekennen, maar ook geen Chinees). Het is een deel uit een serie betaalbare (rond 1800 Yen, ongeveer €15) boeken over artiesten en thema’s in de kunst. In Hagi heb ik al een boek uit deze reeks over Itō Jakuchū (1716-1800) gekocht, ‘de Japanse Hondecoeter‘. Ik ben jaloers. Waarom hebben Nederlandse musea niet zo’n alomvattende, betaalbare en zo te zien laagdrempelige serie in de aanbieding? De Japanse serie beperkt zich niet tot eigen land, Europese kunstenaars als Klimt, Rembrandt en Renoir zijn met een deel vereerd, en naast kunstenaars zijn er ook boeken gewijd aan objecten als keramiek, bord- en kaartspelen, kimono’s en washipapier.

We lopen een galerie binnen die Kunsthof heet. “Ha, Nederlands!” dachten wij. Maar de eigenaar vertelt dat zijn zoon in Duitsland woont, vandaar. Hij toont ons foto’s van zijn kleinkinderen, en vertelt dat hij regelmatig naar Europa gaat om ze te bezoeken. Zijn vrouw is keramiste, hun zoon schildert . In de galerie zien we hun schilderijen en kommen en schalen.

Het Volkenkundig Museum ligt een eindje verderop. Het is gevestigd in een oude Samoeraischool, en staat mudvol met allerlei gebruiksvoorwerpen uit het (recente) verleden. De opstelling doet me denken aan het Culinair Museum van Carolina Verhoeven. Dankzij Eva wordt het bezoek een stuk interessanter, want zij kan de toelichting lezen. Ze wijst me ondermeer een apparaat waarmee konnyaki werd gemaakt (zie het recept hieronder), en een kooi waarmee paling werd gevangen. De sets van haarsierraden zijn prachtig om te zien, maar wij moeten er niet aan denken om al die kammen en pennen op ons hoofd te dragen. Al even oncomfortabel lijken de neksteunen (zie de foto links). Hierop rustten geisha’s met hun met was versterkte kapsels als ze sliepen. Zo’n kapsel maken was heel veel werk, en dat droeg je dan meerdere dagen. Dan kun je niet lekker op een kussen gaan liggen. In de vitrines liggen ook strooien teenslippers, prachtige kleine schaaltjes, stukken gereedschap en keukenmessen.

Er staan ook wat samoerai-uitrustingen en zadels. Als mijn neef Gideon bij ons was geweest, hadden we daar misschien langer naar gekeken. Ik heb me niet verdiept in samoerai, begin op wikipedia en zoek zelf verder.

De karpers in Hagi hebben we niet gezien, maar in Tsuwano zijn ze niet te tellen! Enorme, dikke karpers, de meeste blauwgrijs, maar er zijn ook parelmoerwitte bij, oranje, en alle schakeringen en combinaties daartussen. Ze zwemmen in smalle kanaaltjes langs de straat, en zijn ook voor Japanse toeristen een bezienswaardigheid. Op het eerste gezicht staan er acht karpers op de foto, maar klik erop en bekijk de grotere versie: het zijn er twee keer zoveel. In het wild hebben de donkere exemplaren een veel grotere kans op overleven, dat is duidelijk.

Er zwemmen ook hele kleine vissen rond, zouden dat karperjonkies zijn? Of karpervoer? Of misschien allebei, karpers zijn omnivoren. In het Japans heten karpers koi. Dit woord betekent ook ‘liefde’ of ‘genegenheid’. Karpers kunnen vijftig jaar oud worden, soms zelfs veel ouder, zoals Hanako die volgens de ringen van haar schubben 226 jaar was toen ze in 1977 overleed.

Het washi-museum (Japans papier) blijkt niet meer te bestaan, maar twee musea op een dag is eigenlijk ook wel genoeg. Als alternatief lopen we een winkel binnen die washipapier en producten daarmee verkoopt. Het is er druk, de passagiers van de bussen op de parkeerplaats blijken Chinese toeristen te zijn. Die gedragen zich veel opdringeriger dan Japanners, ze zijn zéér aanwezig. Washi-papier koop ik niet, dat komt nooit ongekreukt in Kortenhoef aan. Tussen de papieren frutsels ik zie een mooi kookboek liggen, met zo te zien regionale recepten uit Tsuwano. Eva belooft daar wat recepten uit te vertalen (“Maar niet het hele boek!”).

Na de lunch in een klein tentje waar het menu zonder plaatjes in een handgeschreven schriftje stond (zonder Eva was ik verhongerd), bezoeken we de Taikodani Inari-schrijn. Inari is de shinto-god van de rijst, dus heel belangrijk in Japan. De vos (kitsune) is zijn boodschapper, en zelf wordt Inari ook wel eens als een vos afgebeeld. Je bezoekt de schrijn niet zomaar. Eerst beklim je een steile bergwand via een weg met ‘duizend’ (1174 volgens de reisgids) rode poorten of Torii.

Bovenaan word je verblind door het lakrood en glimmendgele goud van de gebouwen daar. We werpen ieder 100 yen in een bus en trekken ons lot. Dat van Eva is niet veel goeds, en dat van mij nog minder. Maar als je het aan een rek op het tempelplein knoopt, kunnen de goden er nog wat aan doen. Dus dat doen we maar…

Eind van de middag  zijn we op het station van Tsuwano. In mijn koffer zitten inmiddels ook de aankopen van Eva (al die boeken), en hij is wel zwaar nu. Op het station in Tsuwano begeleidt de loket-beambte ons over het spoor naar het perron aan de overkant, zodat we godzijdank niet die koffer de trap op en af hoeven te zeulen.

We  komen kwart voor acht in Hiroshima aan, op een heel groot station. We kopen er wat te eten voor op de kamer, en we kunnen zó naar het hotel lopen want dat ligt vlak naast het station. Althans… dan moeten we wel erachter komen welke uitgang we van dat grote station moeten hebben. Ook weer iets voor Edwin van het reisbureau: zet in de reisinformatie welke uitgang je moet nemen.

In de hotelkamer stort Eva zich meteen op een van de bedden: een BED! Ja, het is erg leuk, dat slapen op futons op tatami, maar geef ons toch maar een bed op pootjes! Hadden we eerder last van koude ryokans, op deze kamer is het erg warm. Eva vindt dat heerlijk, en ik overleef het wel.

Itadakimasu

In het volkenkundig museum van Tsuwano staat een ouderwetse konnyaku-rasp. Konnyaku heet in het Nederlands ‘konjak’, de botanische naam is Amorphophallus konjac, en de Engelsen noemen de plant Devil’s Tongue. Door de wortelknol te koken en te raspen en daarna te mengen met melk of kalk, krijg je een vezelrijke, stevige gelei die bijna geen calorieën bevat. Konnyaku wordt dan ook gepropageerd als het nieuwe wondervoedsel bij afvaldiëten. Het eten van de stevige gelei is niet zonder gevaar want hij smelt niet in de mond. Als je een heel stuk doorslikt, kun je erin stikken. Snoep gemaakt met konnyakugelei is dan ook een tijd verboden geweest, en in de VS en Canada staan waarschuwingsstickers op zoete konnyakuproducten.

Ik heb konnyaku gezien in bento-dozen, maar ook in stoofschotels en zelfs als noedels. Op dit blog staan twee recepten voor konnyaku kinpira (pittige roergebakken schotel) en Konnyaku no Tosani, waarin konnyaku-schijfjes een heel decoratieve vorm krijgen. Konnyaku moet altijd eerst worden gekookt.

Gisteravond kreeg ik konnyaku sashimi. Dit is een aparte variant, die je juist wel rauw kunt eten (sashimi!). Hij is groen gekleurd door zeewierpoeder, aonori. Het sausje erbij is niet zoals bij vis op basis van soja, maar met miso.

Ik weet (nog) niet of deze variant in Nederland te koop is, maar ik geef toch het recept. Voor de gewone konnyaku volg je de link hierboven.

Aan de konnyaku sashimi hoef je niets meer te doen, behalve in dunne plakjes snijden. Het sausje is een misodressing van 4 eetlepels witte miso met 1 theelepel mosterdpoeder, 2 eetlepels suiker of honing, 1 eetlepel rijstazijn en 2 eetlepels sake.

De dressing is ook voor salades, bijvoorbeeld met plakjes komkommer (eerst met zout bestrooien, na een kwartier afspoelen en goed uit laten lekken). Als je de plakjes in de lengte schaaft, heb je een gerecht dat visueel wel op konnyaku sashimi lijkt.

Een andere verschijningsvorm van konnyaku is shiratake, noedels. Die kunnen wit zijn of grijs gespikkeld, net als de plakken. Je koopt ze gedroogd of in vocht. Ik kreeg ze onder andere bij sashimi van vis, maar ook bij sukiyaki.

Tot overmorgen!

Posted in Oranda-jin in Japan | Tagged , | 3 Comments

Oranda-jin in Japan, Dag 11

Zondag 24 maart, Hagi

Veel Japanse kamers hebben helemaal geen uitzicht. Als je de papieren schermen opzij schuift, zit er matglas achter. Daarom zijn ook de plafondlampen zo fel, het zijn daglichtlampen. Ik heb nog geen schemerlamp gezien.

We worden wakker in die ijskoude kamer. Eva heeft geslapen onder drie dekbedden en een deken, ik had aan twee dekbedden genoeg. Ik heb gelukkig eraan gedacht onze kleren ook onder de dekbedden te leggen, zodat we bij het aankleden niet meteen in ijspegels veranderen. We zijn vroeger wakker dan gepland, want de dame van de ryokan komt ons al om tien over zeven wekken, en we zitten vóór half acht aan het ontbijt. Wij hadden een later tijdstip in gedachten. Maar het voordeel is wel dat we nu alle tijd hebben om nog in Hagi rond te lopen!

Er is veel te zien in Hagi, we moeten een keuze maken. We besluiten één oude ‘family residence’ te bezoeken, het ‘tea bowl museum’ en het Uragami Museum. We bezoeken de residentie van Sushuke Aoki, een geleerde uit de negentiende eeuw die in Duitsland Westerse geneeskunst bestudeerde en daar ook met een Duitse is getrouwd. Vanaf het moment dat wij het pand binnen stappen, zijn we zelf de grootste attractie. Er is een gemeenteraadslid van Hagi aanwezig, en die wordt helemaal enthousiast en fotografeert ons uitgebreid. De gids, een miniem klein vrouwtje, moet ook foto’s van hem met ons beiden maken. Morgen op de voorpagina van de plaatselijke krant: “Nederlandse delegatie bezoekt Hagi!”. We komen later met moeite weg uit dat huis, na het uitwisselen van kaartjes. Maar het was een leuke ervaring.

Er is een hele kleine tuin bij het negentiende-eeuwse huis. Bonsai boompjes zouden wel eens kunnen zijn ontstaan doordat het hebben van een grote tuin verboden was. In dat tuintje staat een beroemde pruimenboom die al zeker honderd jaar oud is (die horizontale gestutte kronkeltak). Binnen is een tentoonstelling voor hinamatsuri, meisjesdag (3 maart), tot 3 april blijft die staan. De stellages tellen zeven verdiepingen, achter ons op de foto zie je zo’n stellage. Iedere verdieping heeft zijn eigen vaste indeling, met poppen en miniatuur-gebruiksvoorwerpen van kaptafels en kookplaatsen tot riksja’s. In sommige families gaan de poppen al generaties lang mee, en er zijn ook verzamelaars van de parafernalia van het poppenfestival. Op dit blog foto’s van allerlei soorten en stijlen poppen.

Nu willen we naar het Tea bowl museum, maar hoe goed we ook met de kaart in de hand rondkijken: geen museum. Ook voorbijgangers weten van niets. Volgens het kaartje en volgens internet moet het toch echt bestaan, maar niet voor ons. Door naar het Uragami Museum dat is ontworpen door de bekende Japanse architect Kenzō Tange (1913-2005). De eerste afdeling die we bekijken is moderne keramiek. Hagi is al sinds de zestiende eeuw bekend door zijn keramiek, er zijn zelfs families die al 15 generaties lang gespecialiseerd zijn, en waarvan de leden tot ‘levend nationaal erfgoed’ zijn benoemd. We zien hele mooie theekommen, waterbakken en serveergerei voor de theeceremonie, zoals deze schaal van Shakakura Shimbei (15de generatie, 1949-heden). De volgende zaal bevatte het grote werk, grote, samengestelde beelden van mythische (?) figuren met titels als ‘Tomorrow I will win’, ‘Let me die under the blossoms’ en ‘White cloud summons dragon’. Traditioneel in vormentaal, maar modern van uitwerking. Links ‘Salvation’, van Miwa Kyusetsu XII.

Even pauze: in de grote en compleet verlaten moderne hal staan tafeltjes en stoeltjes waar je wat kunt bestellen. We kiezen enorme muffins gemaakt met zwarte thee. Een bijzondere, en ook lekkere smaak. Ik zie weer een manifestatie van de gespleten Japanse smaak: in die strakke, moderne hal staat dan dit uitgestald (zie foto).

De historische afdeling van het museum heeft ook veel keramiek, van de prehistorie af. Al in de twaalfde eeuw zie je al die typische Japanse kommen en vazen, met hele mooie glazuren. Veel foto’s gemaakt voor Friederike die ook prachtige dingen maakt. De volgende afdeling bestaat uit houtblokdrukken uit de 17de-19de eeuw. Wat zijn die prachtig! Er zijn ook voorbeelden van het drukproces: de tekening heeft een heel blok, maar iedere kleur heeft ook een apart blok, één prent heeft soms wel twaalf of meer drukgangen. Daar mag niet worden gefotografeerd, maar op deze pagina zie je hoe de verschillende stadia van een kleurenprint te werk gaan.

Of er meer afdelingen zijn kunnen we niet ontdekken, maar we brengen lekker veel tijd door in de museumshop. Eindelijk boeken gekocht! Wel in het Japans, maar deze hebben toch vooral plaatjes, over keramische  motieven en dergelijke. Eva schaft ‘echte’ boeken aan, haar scriptie-onderwerp voor volgend jaar begint steeds meer vorm te krijgen, iets met boeken of prenten in de Edo-periode, en daar hadden ze wel interessante publicaties over. De tentoongestelde prenten in het museum zijn ook uit die periode. Overigens is er in Tsuwano, waar we nu naar onderweg zijn, een museum dat helemaal gewijd is aan Katsushika Hokusai (morgen meer over hem), dus dat is voor Eva helemaal geweldig.

Eva lijkt wel op haar vader: als ze een horloge ziet dat ze mooi vindt, wil ze het als het even kan aanschaffen. Ook hier ligt een prachtig horloge in de museumwinkel, 10.000 yen (ongeveer 80 euro). Maar het staat stil, volgens de dame achter de toonbank omdat de batterij vervangen moest worden. En als het horloge dan nog niet werkt, kunnen we het terugbrengben. Maar ja, we vertrekken vanmiddag, dus dat risico wil Eva toch niet lopen. Bovendien, in Yufuin heeft ze ook al een horloge gekocht.

Tegen vijf uur komen we in Tsuwano aan, een bergdorp met volgens de reisgids tien keer zoveel koi karpers in de rivier als inwoners in het dorp. Het dorp wordt ook wel ‘klein-Kyoto’ genoemd en is bovendien bekend door de kraanvogeldans die tijdens het zomerfestival eind juli wordt uitgevoerd. Wij waren nog net buiten het seizoen, maar er liepen al veel touristen rond, uit China en uit Japan zelf. De ryokan is, zeker na gisteren, een verademing. We hebben een eigen badkamer, en uitzicht op een mini-tuin. We worden ontvangen met thee en een pannekoekje, gevuld met een zoete pasta van azukibonen(dorayaki).  Ik ben daarna de badkamer ingedoken, heb me op Japanse wijze eerst naast het bad gewassen, en ben daarna in het schone hete water gaan zitten. Zo kom je helemaal bij.

Ook in deze ryokan is het eten uitstekend. We hebben een eigen eetkamer die uitkijkt over dezelfde tuin als onze slaapkamer. In de zomer kun je door die tuin van de slaapkamer naar het eetverblijf wandelen. De tafel hier is een variant die we nog niet hebben gehad, met een verdiepte geul in de vloer, zodat je gewoon zit, maar toch aan een lage tafel. Er hang een langwerpig schilderij, een kakejiku, met een werkelijk prachtige afbeelding erop van een tijger en een ekster op een pijnboomtak. Hé, dat is hetzelfde thema als de blokdruk die ik op het vliegveld in Seoul heb gemaakt! (zie Dag 2) Blijkbaar is het thema niet alleen Koreaans.

De opvallendste schotel vanavond is kami nabe, een stoofpot die aan tafel wordt bereid in… papier! Het voedsel zit in washipapier van een hoge dichtheid met een speciale coating, en deze papieren ‘pot’ hangt in een mandje boven een gelbrander. Het papier wordt niet nat, en de hitte van de vlam lijkt meteen te worden doorgegeven aan de inhoud. De ingrediënten hebben niet veel tijd nodig om gaar te worden, en aan het eind is het stoofvocht een smakelijk soepje geworden.

Deze kami nabe is gevuld met enokitake (Flammulina velutipes), fliepeltjes spek (voor mij dubbel, want ik krijg ook de fliepeltjes van mijn dochter), een bladgroente die op molsla lijkt (paardebloemblad), en glasheldere harusame noedels, gemaakt van aardappelzetmeel.

Eva ziet weer allerlei leuke Japanse tv-programma’s. Zo is er een show waarin meisjes door een stel mannen raad krijgen hoe ze ‘schattiger’ kunnen zijn. Schattig, dat is heel belangrijk. Daarom spreken vrouwen ook met hoge stemmetjes, lopen ze met x-benen, en hebben ze allerlei frutsels in hun kleding, hun haar, en aan hun tassen. Maar toch stoort dat niet. Alleen zullen wij lange Westerse vrouwen wel erg onschattig overkomen.

Morgen gaan we Tsuwano bekijken, en dan op naar Hiroshima, de laatste stopplaats voor mijn vertrek en Eva’s terugkeer naar Nagasaki.

Itadakimasu

Een traditioneel gerecht voor meisjesdag of het poppenfestival is hishi mochi, diamantvormige koekjes van kleefrijst met drie kleurenlagen: groen (gras), wit (sneeuw) en rood (bloesem). Het recept voor mochi komt op een andere dag, hier vind ik het leuker om speciale sushi voor deze dag te presenteren, hina-zushi. In feite is dit ingewikkeld verpakte onigiri. Het is minder koken dan knutselen. Eerst het bouwschema:

En het eindresultaat:

Je maakt sushirijst, en je maakt van een kwart kleine bolletjes (wikkel ze in plasticfolie en draai aan). Van de rest maak je gevulde sushirijst. Je maakt ook dunne Japanse omeletten. Vorm van de gevulde sushirijst grotere, driehoekige rijstballen (als voor onigiri). Vouw shishoblaadjes dubbl voor de ondermantel van de keizer, en snijd hele dunne repen wortel, die je zachter maakt door te blancheren of met zout te bestrooien voor de ondermantel van de keizerin. Wikkel de omelet om de rijstdriehoek en shisoblad of wortel. Maak de hoofden met stukken nori voor het haar en de ogen, de wenkbrouwen zijn zwarte sesamzaadjes en de mond een snippertje wortel. Kijk voor de hoofdversieringen op het plaatje. De waaiers zijn dunne plakjes komkommer. Je kunt het hoofd ook van een hardgekookt kwarteleitje maken. In beide gevallen zet je hoofd met een cocktailprikker vast op het lijf.

De foto’s van de hina-zushi zijn ontleend aan Sushi at Home, van Yasuko Kamimura.

Nu een dag pauze, de volgende post is zondag.

Posted in Japan, Oranda-jin in Japan | Tagged , , | 1 Comment