Oranda-jin in Japan, Dag 12

Maandag 25 maart – Tsuwano

Ik heb nog niet eerder over Japanse spiegeleieren geschreven. We krijgen die regelmatig bij het ontbijt, op kamertemperatuur, met amper gestold eiwit en een vloeibare eidooier. Nu haken er vast lezers met een gevoel van walging af, maar toevallig vind ik zo’n spiegelei à point wel lekker. Alleen, je moet hem wel met stokjes eten! Dit doe je door de schaal of het bord naar je mond te brengen, en met je stokjes het spiegelei naar binnen te werken. Het wit gaat, maar als je niet uitkijkt, stroomt als je in de dooier bijt het vloeibare geel langs je kin. Deze ochtend een nieuwe uitdaging: twéé spiegeleieren!

Geinig gerechtje erbij: salade van macaroni met komkommer (links van de eieren onder het schelpvormige kommetje).

Tsuwano is een bergdorp in Zuidwest-Honshu waar veel samoerai woonden, je ziet er nog veel huizen in ‘samoeraistijl’, en in de oude samoeraischool is nu een volkenkundig museum gevestigd.

Een ander museum is gewijd aan Katsushika Hokusai (1760 tot 1849), dat bezoeken we eerst. Hij is één van de bekendste kunstenaars uit de Edo-periode, in het Westen vooral bekend door De grote golf van Kanagawa.

Het verband tussen Hokusai en Tsuwano is losjes: in dit dorp is de eerste druk ontdekt van de Hokusai Manga, zelf is hij er nooit geweest. Vanaf 1814 publiceerde de artiest tot aan zijn dood twaalf delen van deze manga, na zijn dood verschenen er nog drie. Oorspronkelijk was het bedoeld als leerboek voor artiesten, maar in een nieuwe uitgave liet Hokusai alle tekst weg. Tot zijn verbazing waren deze plaatjesboeken heel populair. De boekjes hebben geen verhaal zoals moderne mangastrips, het zijn losse afbeeldingen van mensen in allerlei omstandigheden, planten, dieren en landschappen, voorwerpen en bovennatuurlijke wezens, vaak meerdere op een pagina.

Mijn dochter is een bewonderaarster van zijn kunst, en na alle tentoongestelde prenten uitgebreid te hebben bekeken, bestuderen we de boeken in de museumwinkel. Eva schaft zo’n beetje de complete inventaris aan, ze kan er ook iets uit gebruiken voor haar scriptie. Ik koop een ander boek over Hokusai, ook in het Japans (echt, geen Engels boek te bekennen, maar ook geen Chinees). Het is een deel uit een serie betaalbare (rond 1800 Yen, ongeveer €15) boeken over artiesten en thema’s in de kunst. In Hagi heb ik al een boek uit deze reeks over Itō Jakuchū (1716-1800) gekocht, ‘de Japanse Hondecoeter‘. Ik ben jaloers. Waarom hebben Nederlandse musea niet zo’n alomvattende, betaalbare en zo te zien laagdrempelige serie in de aanbieding? De Japanse serie beperkt zich niet tot eigen land, Europese kunstenaars als Klimt, Rembrandt en Renoir zijn met een deel vereerd, en naast kunstenaars zijn er ook boeken gewijd aan objecten als keramiek, bord- en kaartspelen, kimono’s en washipapier.

We lopen een galerie binnen die Kunsthof heet. “Ha, Nederlands!” dachten wij. Maar de eigenaar vertelt dat zijn zoon in Duitsland woont, vandaar. Hij toont ons foto’s van zijn kleinkinderen, en vertelt dat hij regelmatig naar Europa gaat om ze te bezoeken. Zijn vrouw is keramiste, hun zoon schildert . In de galerie zien we hun schilderijen en kommen en schalen.

Het Volkenkundig Museum ligt een eindje verderop. Het is gevestigd in een oude Samoeraischool, en staat mudvol met allerlei gebruiksvoorwerpen uit het (recente) verleden. De opstelling doet me denken aan het Culinair Museum van Carolina Verhoeven. Dankzij Eva wordt het bezoek een stuk interessanter, want zij kan de toelichting lezen. Ze wijst me ondermeer een apparaat waarmee konnyaki werd gemaakt (zie het recept hieronder), en een kooi waarmee paling werd gevangen. De sets van haarsierraden zijn prachtig om te zien, maar wij moeten er niet aan denken om al die kammen en pennen op ons hoofd te dragen. Al even oncomfortabel lijken de neksteunen (zie de foto links). Hierop rustten geisha’s met hun met was versterkte kapsels als ze sliepen. Zo’n kapsel maken was heel veel werk, en dat droeg je dan meerdere dagen. Dan kun je niet lekker op een kussen gaan liggen. In de vitrines liggen ook strooien teenslippers, prachtige kleine schaaltjes, stukken gereedschap en keukenmessen.

Er staan ook wat samoerai-uitrustingen en zadels. Als mijn neef Gideon bij ons was geweest, hadden we daar misschien langer naar gekeken. Ik heb me niet verdiept in samoerai, begin op wikipedia en zoek zelf verder.

De karpers in Hagi hebben we niet gezien, maar in Tsuwano zijn ze niet te tellen! Enorme, dikke karpers, de meeste blauwgrijs, maar er zijn ook parelmoerwitte bij, oranje, en alle schakeringen en combinaties daartussen. Ze zwemmen in smalle kanaaltjes langs de straat, en zijn ook voor Japanse toeristen een bezienswaardigheid. Op het eerste gezicht staan er acht karpers op de foto, maar klik erop en bekijk de grotere versie: het zijn er twee keer zoveel. In het wild hebben de donkere exemplaren een veel grotere kans op overleven, dat is duidelijk.

Er zwemmen ook hele kleine vissen rond, zouden dat karperjonkies zijn? Of karpervoer? Of misschien allebei, karpers zijn omnivoren. In het Japans heten karpers koi. Dit woord betekent ook ‘liefde’ of ‘genegenheid’. Karpers kunnen vijftig jaar oud worden, soms zelfs veel ouder, zoals Hanako die volgens de ringen van haar schubben 226 jaar was toen ze in 1977 overleed.

Het washi-museum (Japans papier) blijkt niet meer te bestaan, maar twee musea op een dag is eigenlijk ook wel genoeg. Als alternatief lopen we een winkel binnen die washipapier en producten daarmee verkoopt. Het is er druk, de passagiers van de bussen op de parkeerplaats blijken Chinese toeristen te zijn. Die gedragen zich veel opdringeriger dan Japanners, ze zijn zéér aanwezig. Washi-papier koop ik niet, dat komt nooit ongekreukt in Kortenhoef aan. Tussen de papieren frutsels ik zie een mooi kookboek liggen, met zo te zien regionale recepten uit Tsuwano. Eva belooft daar wat recepten uit te vertalen (“Maar niet het hele boek!”).

Na de lunch in een klein tentje waar het menu zonder plaatjes in een handgeschreven schriftje stond (zonder Eva was ik verhongerd), bezoeken we de Taikodani Inari-schrijn. Inari is de shinto-god van de rijst, dus heel belangrijk in Japan. De vos (kitsune) is zijn boodschapper, en zelf wordt Inari ook wel eens als een vos afgebeeld. Je bezoekt de schrijn niet zomaar. Eerst beklim je een steile bergwand via een weg met ‘duizend’ (1174 volgens de reisgids) rode poorten of Torii.

Bovenaan word je verblind door het lakrood en glimmendgele goud van de gebouwen daar. We werpen ieder 100 yen in een bus en trekken ons lot. Dat van Eva is niet veel goeds, en dat van mij nog minder. Maar als je het aan een rek op het tempelplein knoopt, kunnen de goden er nog wat aan doen. Dus dat doen we maar…

Eind van de middag  zijn we op het station van Tsuwano. In mijn koffer zitten inmiddels ook de aankopen van Eva (al die boeken), en hij is wel zwaar nu. Op het station in Tsuwano begeleidt de loket-beambte ons over het spoor naar het perron aan de overkant, zodat we godzijdank niet die koffer de trap op en af hoeven te zeulen.

We  komen kwart voor acht in Hiroshima aan, op een heel groot station. We kopen er wat te eten voor op de kamer, en we kunnen zó naar het hotel lopen want dat ligt vlak naast het station. Althans… dan moeten we wel erachter komen welke uitgang we van dat grote station moeten hebben. Ook weer iets voor Edwin van het reisbureau: zet in de reisinformatie welke uitgang je moet nemen.

In de hotelkamer stort Eva zich meteen op een van de bedden: een BED! Ja, het is erg leuk, dat slapen op futons op tatami, maar geef ons toch maar een bed op pootjes! Hadden we eerder last van koude ryokans, op deze kamer is het erg warm. Eva vindt dat heerlijk, en ik overleef het wel.

Itadakimasu

In het volkenkundig museum van Tsuwano staat een ouderwetse konnyaku-rasp. Konnyaku heet in het Nederlands ‘konjak’, de botanische naam is Amorphophallus konjac, en de Engelsen noemen de plant Devil’s Tongue. Door de wortelknol te koken en te raspen en daarna te mengen met melk of kalk, krijg je een vezelrijke, stevige gelei die bijna geen calorieën bevat. Konnyaku wordt dan ook gepropageerd als het nieuwe wondervoedsel bij afvaldiëten. Het eten van de stevige gelei is niet zonder gevaar want hij smelt niet in de mond. Als je een heel stuk doorslikt, kun je erin stikken. Snoep gemaakt met konnyakugelei is dan ook een tijd verboden geweest, en in de VS en Canada staan waarschuwingsstickers op zoete konnyakuproducten.

Ik heb konnyaku gezien in bento-dozen, maar ook in stoofschotels en zelfs als noedels. Op dit blog staan twee recepten voor konnyaku kinpira (pittige roergebakken schotel) en Konnyaku no Tosani, waarin konnyaku-schijfjes een heel decoratieve vorm krijgen. Konnyaku moet altijd eerst worden gekookt.

Gisteravond kreeg ik konnyaku sashimi. Dit is een aparte variant, die je juist wel rauw kunt eten (sashimi!). Hij is groen gekleurd door zeewierpoeder, aonori. Het sausje erbij is niet zoals bij vis op basis van soja, maar met miso.

Ik weet (nog) niet of deze variant in Nederland te koop is, maar ik geef toch het recept. Voor de gewone konnyaku volg je de link hierboven.

Aan de konnyaku sashimi hoef je niets meer te doen, behalve in dunne plakjes snijden. Het sausje is een misodressing van 4 eetlepels witte miso met 1 theelepel mosterdpoeder, 2 eetlepels suiker of honing, 1 eetlepel rijstazijn en 2 eetlepels sake.

De dressing is ook voor salades, bijvoorbeeld met plakjes komkommer (eerst met zout bestrooien, na een kwartier afspoelen en goed uit laten lekken). Als je de plakjes in de lengte schaaft, heb je een gerecht dat visueel wel op konnyaku sashimi lijkt.

Een andere verschijningsvorm van konnyaku is shiratake, noedels. Die kunnen wit zijn of grijs gespikkeld, net als de plakken. Je koopt ze gedroogd of in vocht. Ik kreeg ze onder andere bij sashimi van vis, maar ook bij sukiyaki.

Tot overmorgen!

This entry was posted in Oranda-jin in Japan and tagged , . Bookmark the permalink.

3 Responses to Oranda-jin in Japan, Dag 12

  1. Pingback: Oranda-jin in Japan, Overzicht | Wel ende edelike spijse

  2. Grappig die konnyaku-rasp.. Ik heb een Nederlandse variant.
    In het bergdorp welke jullie bezochten, liepen daar ook nu nog kamelen?
    Wat een mooie bonte mengeling aan kleuren in dit land.
    Had je in die laatste dagen niet eens zin in een gewoon gekookt aardappeltje.?

    • Coquinaria says:

      Nee, kamelen heb ik niet gezien!
      En ik kreeg ook geen trek in vertrouwd voedsel, ik was nog steeds heel blij met al het Japanse eten. Maar eenmaal thuis heb ik wel genoten van stamppot rauwe andijvie!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *